Een persoonlijke bijdrage van Marian van Leeuwen
Over het leven na de dood zei de Chinese filosoof Lao-Tse ooit: “Wat de rups het einde noemt, noemen wij een vlinder.“
Afgelopen zomer was er in het fotomuseum in Den Haag een tentoonstelling van Lucas Foglia te zien over vlinders. En niet zomaar een vlinder, maar de vlinder die werelds langste vlindermigratie maakt: de distelvlinder. We zien hem, met zijn bruin-oranje gevlekte vleugels, vaak in Nederland, maar – zo bleek uit de prachtige foto’s – deze vlinder fladdert niet alleen hier in Europa rond, maar reist de halve wereld over. De distelvlinder trekt namelijk van de Afrikaanse graslanden naar het noorden, over de Sahara en de Middellandse Zee. Hij vliegt over besneeuwde Alpen tot ver in Scandinavië, om in september weer terug naar het zuiden te reizen. Een migratie van maar liefst 15.000 kilometers.

Deze reis maakt de distelvlinder niet in zijn eentje. De reis wordt door tien generaties afgelegd. Een distelvlinder leeft ongeveer vijf tot zeven weken en kan tot vierduizend kilometer vliegen, totdat de vleugels kapot zijn. Door onderweg eieren te leggen, kan een nieuwe generatie vlinders de migratieroute vervolgen.
De fotograaf zegt hierover: “De distelvlinder heeft mij veel geleerd over hoop en doorzettingsvermogen. Ik zag de vlinders op bloemen in de Sahara en de Arabische woestijn, op kleine stukjes droog zand, op zee, in de sneeuw en in stormen op grote hoogtes. Ze vinden op hun lange reis bronnen om door te gaan. Elke generatie zet door, zonder te weten waar hun ouders zijn geweest.”
De fotograaf is zelf diep onder de indruk en zijn foto’s weerspiegelen dat. In zijn expositie legt hij paralellen met de migratie van vluchtelingen. Ik werd vooral geraakt door het multi-generationele. Elkaar opvolgende generaties zetten het levenswerk van hun voorouders voort en doen dát wat gedaan moet worden.
De distelvlinder zet de reis van zijn voorouders voort. Heen en weer. De tiende generatie komt na een jaar weer aan op de plek waar zijn over-overgrootouders waren begonnen. En de volgende generaties gaan ook weer op weg om dezelfde reis te maken. Een eeuwigdurende tocht tussen zuid en noord, op zoek naar warmte en bloemen voor voedsel.
Ik noem de trektocht van de distelvlinder een multi-generationele reis. Maken wij mensen ook een zo een reis? Soms leven we immers in een verhaal dat generaties voor ons al begon.
De multi-generationele reis die wij maken, lijkt minder voorspelbaar dan de reis van de distelvlinder. Wij maken keuzes, verleggen onze grenzen, en leren, althans dat hopen en denken we, van de generaties voor ons. We kunnen steeds weer opnieuw beginnen en het anders doen. We blikken terug, op ons eigen leven, en de levens voor ons. En we trekken daar lessen uit voor de toekomst.
Dat doet me denken aan een uitspraak van de Deense filosoof Søren Kierkegaard: “Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.”
Bij verdriet en gemis van een dierbare, bij rouw, zijn beide bewegingen aan het werk. Je hart blijft naar achteren kijken, naar wat geweest is, terwijl het leven je dwingt vooruit te gaan.
Pas later, als je terugkijkt, zie je misschien welke kracht, verandering of nieuw perspectief het verlies heeft gebracht.
Tijdens rouw is het moeilijk om direct te begrijpen waarom iets gebeurt of hoe je ermee om moet gaan. Het inzicht groeit meestal pas na verloop van tijd, als je terugkijkt.
Het leven gaat door, ook al voelt het soms alsof je stil bent gezet.
Voorwaarts leven betekent omgaan met de leegte, langzaam nieuwe vormen vinden om verder te gaan, en leren hoe je de relatie met degene of datgene dat je verloren hebt in je mee kunt dragen.
Het vraagt moed, om, zonder dat je alles begrijpt, tóch de volgende stap te zetten.
“Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd”.
De distelvlinder weet daar alles van.
Beide bewegingen horen bij rouw: terugblikken om te begrijpen, vooruitgaan om te leven.
Want wat de rups het einde noemt, noemen wij een vlinder … die in ons, én in de wereld, voortleeft.
Marian van Leeuwen











