Het onderstaande bericht is geschreven op basis van het artikel: ‘Artsen hebben nooit voor de rol van God geopteerd’ van Roosje Sikkel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 30 januari, nummer 2, 2024.
‘Er is een samenleving gegroeid, waarin artsen worden overvraagd en geestelijke zorg of zielzorg bijna opnieuw moet worden uitgevonden.’ Dat zegt geestelijk verzorger en predikante Abeltje Hoogenkamp in een interview met het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (februari 2024).
Hoogenkamp signaleert dat we verleerd zijn voor elkaar te zorgen. We worden aangemoedigd voor onszelf te kiezen, om te doen wat we leuk vinden en daar weten we veel van. Maar hoe gaan we om met de stekeligheden van het leven? Met lijden en dood, met wat nu eenmaal ook bij het leven hoort? En hoe zijn we elkaar daarin nabij? Dat zou best een vak op school mogen zijn, oppert Hoogenkamp.
Mensen richten zich tot de gezondheidszorg niet alleen om ziekte te behandelen, maar ook om redding uit benardheid. Hoogenkamp ontmoet natuurlijk mensen met zware ziektes, maar ook een behandeling die voor een arts routineus kan zijn, kan voor een patiënt een existentiële laag aanraken, door eerdere levenservaringen. Artsen kunnen daar alert op zijn en dan een geestelijk verzorger inzetten. ‘Het is fijn om je hart te kunnen luchten bij iemand van wie je niet houdt’, zegt Hoogenkamp.
In onze samenleving hebben mensen allerlei religieuze achtergronden of beleven ze zin op andere manieren. Een geestelijk verzorger kan een religieuze achtergrond hebben, maar moet ook uit andere vaatjes kunnen tappen om mensen te helpen op verhaal te komen. ‘We zijn ons vak opnieuw aan het uitvinden’, aldus Abeltje Hoogenkamp.
“Wat heb je ons fijn geholpen. Je hebt me laten zien wat mijn mogelijkheden zijn. Wij hebben er zoveel aan gehad. Onze dank is groot. Jullie doen zulk goed werk! 🙏❤️💋”
Zomaar opeens ontving ik dit Whatsapp-bericht. Ik werd er verlegen van.
Het is altijd bijzonder om een tijdje met iemand mee te mogen lopen. De mevrouw die bovenstaand berichtje stuurde, had veel te verstouwen gehad in haar leven, van kinds af aan, en nu, inmiddels de zestig gepasseerd, kreeg ze opeens de diagnose kanker. Het zette haar hele leven op zijn kop. De behandelingen, chemo, bestraling, operatie … de bijwerkingen … en de angst. We zien het vaker, in een periode waarin ziekte maakt dat iemand zich zwak en kwetsbaar voelt, verliest de vertrouwde overlevingsstrategie aan kracht en kunnen oude trauma’s gaan opspelen. Hoe hier mee om te gaan? Alle energie is nodig om de ziekte de baas te blijven. Maar de oude trauma’s vechten om voorrang. Het algemene advies is de traumabehandeling in zo’n situatie uit te stellen. In veel gevallen zal dat zeker het beste zijn.
Maar mevrouw bleek er niet meer omheen te kunnen. Haar anders zo optimistische en vrolijke aard had er zwaar onder te lijden. En daarmee ook haar man en kinderen. Die aanvankelijk er niets van durfden te zeggen. Ze leefden met haar mee en probeerden haar zo goed mogelijk te ondersteunen. Maar gaandeweg kwam er irritatie en wrevel en op een gegeven moment barstte de bom. Als eerste was het haar partner die zei dat het zo echt niet langer kon en twee dagen later haar dochter. En toen begon ze zich te realiseren dat ze hulp nodig had. Ze verlangde naar iemand die kon luisteren, die haar een spiegel kon voorhouden en liefst ook tips kon geven.
Via het Centrum voor Levensvragen kwam ik in beeld. En ik heb geluisterd, heel veel uren heb ik alleen maar geluisterd. En gaandeweg groeide mijn bewondering voor haar veerkracht. Bij de vierde sessie kwamen we meer in het hier en nu. Ze vertelde over de problemen met haar man en dochters. Dat ze afstand voelde en juist zo naar nabijheid verlangde. Ze sprak de wens uit dat ze al haar ellende, vooral uit haar jeugd, van zich af kon schreeuwen. En toen zei ik spontaan dat ze dat aan zee zou kunnen doen. Dat sprak haar enorm aan. En iets van haar enthousiaste aard schemerde door toen ze spontaan zei “dat ga ik doen! Met mijn man.”
Ooit had ze brieven geschreven, om alles van zich af te schrijven. Nooit verstuurd. Die zou ze gaan verbranden en ze zou gaan schreeuwen. Ik was benieuwd of ze het ook echt zou gaan doen. Drie weken later zocht ik haar weer op. Stralende ogen. Ze waren naar zee geweest. Het strand oplopen was nog te zwaar voor haar, dus ze hadden een plekje in de duinen gezocht, in de buurt van het hotel. Zich ervan bewust dat het eigenlijk niet mocht, dus het werd geen groot vuur, gewoon een kaarsje in een potje. Allemaal heel veilig. Nadat ze zich had geïnstalleerd, ging haar man op afstand staan, zodat ze ongestoord haar ritueel kon uitvoeren. Ze heeft de brieven verbrand, een voor een, huilend, en daarna is ze gaan staan en heeft ze heel hard geschreeuwd. Terwijl ze het vertelde voelde ik de emotionele ontlading door haar woorden heen. Het had haar verlicht en veel gebracht. Ik nam afscheid en ze zou me bellen als ze daar behoefte aan had.
Recent ontving ik het hierboven genoemde Whatsapp-berichtje. Ze bleken weer aan zee te zijn. Al voor de derde keer. Niet meer om briefjes te verbranden of te schreeuwen, maar om het leven en het samenzijn te vieren.
Een gezin dat leefde in de oude tijden. Vader, moeder, twee zonen en een dochter. De jongste zoon werd gevraagd om de leiding over een groot project op zich te nemen en zijn rechtvaardigheidsgevoel en lef kwamen hem daarbij goed van pas. Een wat humoristisch aspect in dit verhaal is echter dat het hem ontbrak aan een cruciale vaardigheid in zijn leidinggevende capaciteiten: Hij kon niet spreken!
Doch zoals dat kon gaan in families waren daar zijn broer en zuster die hem met raad en daad bijstonden. En zo ging dat jaren goed.
Totdat hij als jongste nog de enig overgeblevene van het gezin was. En hijzelf in de laatste maand van zijn leven, nu zouden we zeggen, in de palliatieve fase, was aangekomen.
En dan begint hij te spreken en te spreken; het werd de nalatenschap voor hen die hij achterliet.
Art: Paul Bulika
Het woord nalatenschap komt uit de juridische taal en gaat veelal over geld en goederen. Het draagt echter ook aspecten in zich mee van overdracht van waardevolle spullen, onafhankelijk van hoeveel ze op dat moment (nog) waard zijn. Spullen die een bijzondere herinnering oproepen en waar de nabestaande troost en kracht aan ontleent na het overlijden van een dierbare medemens.
Een laatste aspect dat besloten kan zijn in het woord nalatenschap is de wijsheid en liefde die overgedragen is tijdens het leven of in die laatste intensieve fase van afscheid nemen.
Sinds vorig jaar september heb ik vanuit het CvL de werkzaamheden in het hospice in Dronten van één van de collega’s overgenomen, en in het afgelopen jaar heb ik vele gasten en hun families zien komen en gaan. Daarin was ik van een gepaste afstand of wat dichterbij, getuige van hoe zij deze indringende periode van hun leven met elkaar omgingen op weg naar het afscheid. Van hoe de dynamiek tussen hen in de laatste tijd van het leven van de gast, een bron van vreugde en kracht of van conflicterende pijn (en alles daartussenin) kon zijn. Wat overgedragen werd aan hen die achterbleven dat de nalatenschap werd waar zij mee verder gingen.
Wat het komende overlijden van een dierbare voor allen draagbaar kan maken, is een besef dat het geleefde leven niet van betekenisgeving verstoken hoeft te zijn omdat het gaat eindigen.
Wanneer zij het hoofdstuk van hun leven schrijven worden zij ieder deel van de eeuwigheid, en iets van hen die voorgaan, zal voortleven in de generaties die na hen zijn en zullen komen.
Daarbij kunnen (song)teksten ons gaande houden. Helpende teksten worden zij ook wel genoemd die vertellen over protest en/of perspectief.
Teksten en klanken die hen in de breedte en diepte weten te raken met een oerverlangen naar een vreedzame, gewenste staat van zijn.
Het bovengenoemde verhaal over het gezin dat ik beschreef laat zien hoe de beleving van tijd kan zijn. Wanneer de tijd menselijkerwijze beperkt is worden we alert omdat er een duidelijke grens is aan de hoeveelheid er nog rest om tot een afronding te komen.
In een laatste gesprek met een van onze oude gasten zochten wij samen tastend naar woorden die vertelden over zijn geleefde leven van toen en nu en wat hij naliet nu hij de aarde ging verlaten.
Tenslotte vertelde hij hoe hij zijn naderend sterven tegemoet ging. Er was rust. Zijn dichtgeslagen krant lag als stille getuige daarvan op zijn tafel. Hij was oud en van het leven verzadigd.
Te midden van onze samenleving, waar volkeren elkaar onderdrukken – het is van alle tijden – ontvouwde zich de levensgeschiedenis van deze mens waarna hij zich voegde bij de mensen van voorbij. Zomaar, in een bijna thuis huis, in een wereld die in brand lijkt te staan. Daar brandt ook deze metaforische vlam. En wij zullen daar al naar gelang onze mogelijkheden de handen behoedzaam omheen leggen, opdat die kleine vlam niet uitdooft.
‘Ik zou zo graag eens met iemand over de laatste levensfase praten. Kan dat ook met een geestelijk verzorger?’ Die vraag kwam op mijn pad. Peter is achtenzestig en vertelt dat hij steeds vaker aan zijn eigen sterven denkt. Hij heeft allerlei vragen, zoals: ‘Wie beslist er over mij als ik dat zelf niet meer kan?’ en ‘Kan ik nu al vastleggen dat ik niet in een verpleeghuis wil worden opgenomen?’ Hij heeft eigenlijk niemand om dit soort persoonlijke zaken mee te bespreken. Er zijn wel een paar goede vrienden, en zijn zoon, maar onderwerpen als een wilsverklaring, euthanasie, wie er zo meteen mag beslissen… Die wil hij eerst voor zichzelf op een rijtje zetten.
We gaan in gesprek, want ja, ook hierover kun je met een geestelijk verzorger praten.
Peter vertelt dat een recente gebeurtenis er toe heeft geleid dat hij nu echt werk wil maken van zijn vragen over de laatste wil. Hij heeft namelijk zijn hond moeten laten inslapen. Het beestje kon niet meer lopen en had zichtbaar veel pijn. Het was een moeilijk besluit, maar Peter voelde dat zijn hond ondraaglijk leed en de dierenarts zag geen mogelijkheden meer voor behandeling. Precies de twee belangrijkste criteria voor euthanasie.
Toen hij het zijn zoon van drieëntwintig vertelde, reageerde die verontwaardigd. Zijn zoon vond dat je niet voor God mag spelen en was het er niet mee eens. Dit voorval bracht Peter bij de vraag wie namens hem beslissingen mag nemen als hij dat zelf niet meer kan. Als hij daar niets over op papier zet, zal dat zijn zoon zijn. Maar hij twijfelt nu of zijn zoon wel op één golflengte met hem zit. ‘Als hij de hond bij ondraaglijk lijden al niet wil laten inslapen, hoe zou hij dat dan bij mij doen?’ Hij heeft er wel over gepraat met zijn zoon, maar dat stelde hem niet gerust. Al zou hij het liefste willen dat hij zijn zoon wél die rol op zich kan laten nemen.
Tijdens ons gesprek realiseert Peter zich dat zijn zoon hierin nog kan veranderen, hij is immers nog jong. Hij besluit nu in een volmacht medische beslissingen iemand anders aan te wijzen, maar dit te herzien als hij het iemand anders, bijvoorbeeld zijn zoon, wil toevertrouwen. Dit gaf Peter rust. Geen enkele wilsverklaring is voor het leven, maar je kunt ze wel levend houden.
Terwijl ik dit schrijf is het zondagmiddag 3 november. De zon schijnt op de herfstkleuren van de bomen en struiken en ik kan zelfs nog met een kop koffie in de tuin zitten. Genietend van dit moment gaan mijn gedachten terug naar gisteren, 2 november. Het ‘was’ Allerzielen.
In de westerse rooms-katholieke traditie worden de overledenen uit de parochie op deze dag herdacht en wordt er een mis opgedragen aan hen met een daarop aangesloten liturgie.
Ik herinner me een viering als deze tijdens mijn eerste praktijkdagen in de opleiding Theologie en levensbeschouwing.
In veel parochies is het gewoonte dat, als er een parochiaan vanuit de kerk wordt begraven er een kruisje wordt opgehangen op een daarvoor bestemde plek aan de muur. Op dat kruisje staat de naam van de overledene en parochianen hebben zo de gelegenheid om de mensen die hen uit de parochie ontvallen, te gedenken.
Op de eerstvolgende viering van Allerzielen wordt de familie uitgenodigd om naar de mis te komen, de naam van de overledene wordt genoemd, er wordt een kaars door hen aangestoken bij het noemen van de naam, en er is gelegenheid om het kruisje in ontvangst te nemen.
Het was een bijzonder mooie viering.
Het gedenken van overledenen gebeurt de laatste decennia ook in zorginstellingen, hospices en in uitvaarthuizen.
Daarnaast gaat Anita Witzier ons op de televisie voor om de mensen van voorbij te herdenken. Zij reist daarvoor door heel Nederland om met verschillende mensen de verhalen van verlies en herinnering op te halen en te delen met de kijker in het programma ‘Voor wie steek jij een kaarsje op?’.
Ik vierde Allerzielen dit jaar thuis op de televisie mee. Met de kachel aan en de gordijnen dicht, installeerde ik me voor de tv.
Verhalen werden gedeeld en namen getoond, daartussen zag ik ook de naam van Mirjam Willemse.
Mirjam Willemse was van beroep huisarts en zij was ongeneeslijk ziek. In de documentaire Dying to live, die een poos geleden werd uitgezonden (maart 2023, klik hier voor de link), is te zien hoe zij mensen in de laatste fase van hun leven bijstond. Zij pleitte ervoor dat mensen in gesprek gaan met (huis)arts en geliefden over wensen en grenzen in de laatste fase van hun leven. Een plan te ontwikkelen over de laatste fase, ook wel de Advance Care Planning genoemd door longarts Sander de Hosson. Hij heeft hier samen met Els Quaegebeur een boek over geschreven: Leven toevoegen aan de dagen.
Mijn gedachten gingen uit naar Yvonne, een jonge vrouw van net de in vijftig met uitgezaaide longkanker en een wens tot euthanasie. Enige tijd geleden nam ze contact op met ons Centrum voor levensvragen en vroeg zij mij, na ons kennismakingsgesprek, om haar te begeleiden.
Yvonne vertelde over haar wensen, en haar diepste wens: de wens om te Leven, tot het einde.
Ze wilde de weg die voor haar lag in volle bewustzijn gaan. En over wat daarin aan de orde kwam spraken we in alle rust met elkaar.
Toen haar huisarts niet toestemde om haar verzoek tot euthanasie uit te voeren, nam ze contact op met het expertisecentrum voor euthanasie. Ze werd begeleid door een team van artsen en verpleegkundigen, haar verzoek werd ingewilligd en zo leefde ze toe naar de datum waarop de euthanasie uitgevoerd zou worden en aan haar leven op aarde een einde zou komen.
Het was een mooi proces om van dichtbij mee te mogen maken. Yvonne groeide, stapje voor stapje, in open overleg en met haar meest geliefde mensen, naar het moment toe waarop ze afscheid van hen en het leven ging nemen. De dag voor de afgesproken datum namen wij afscheid van elkaar en op het uitgekozen tijdstip waarop ze zou overlijden brandde ik een kaars voor haar en haar familie.
Het was Allerzielen.
We hebben mensen herdacht die ons ontvallen zijn, in eigen kring en in de wijdere kring van onze samenleving. En vanmiddag, op 3 november, besef ik in een blik naar voren, dat aan die eindeloze rij van mensen die ons voorgingen, steeds weer mensen toegevoegd zullen worden. (Klik hier om te luisteren naar In de optocht door de tijd van Paul van Vliet).
En hoe wij, die het voorrecht hebben om naast het bed of de stoel te zitten in plaats van erin, een stukje mee op lopen. En het als een uitnodiging en een opdracht ontvangen. Om te Leven, tot het einde.
Op LinkedIn las ik een verontwaardigd bericht over het standpunt van de PVV inzake verslavingszorg. Als het aan de PVV ligt, krijgt een verslaafde één keer de kans om af te kicken, mislukt dit dan is er nog maar één optie: hij/zij wordt uitgesloten van het vrije verkeer van de samenleving en te werk gesteld in een Rijkswerkinrichting.
Au! Ik werk zelf in de verslavingszorg en ken iemand de mij dierbaar is, die kampt met verslaving. De term ‘verslaafden’ uitspreken doet al pijn. Een mens is altijd meer dan dat waar hij of zij aan lijdt. Experts zien verslaving als een hersenziekte, die niet simpelweg te genezen is met wilskracht. Het komt in alle lagen van onze samenleving voor; stress en onzekerheid kunnen aanzetten tot gebruik van verdovende middelen, en als er ook nog sprake is van andere pech, zoals bijvoorbeeld intergenerationele overdracht, werken die middelen als een fuik, waar je niet zomaar weer uitkomt.
Het kan iedereen overkomen.
Wekelijks houd ik een kringgesprek met mensen die lijden aan het syndroom van Korsakov. Over het leven. Daar weten deze mensen veel van, al functioneert het geheugen niet meer zoals ooit. Ze weten te vertellen over misbruik, over uitsluiting, over verslaafde ouders, over het leven op straat, over kinderen die geen contact meer willen. Ze kennen ook de positieve kanten van het leven. Zoals de waarde van nabijheid en de liefdevolle zorg van kinderen die, ondanks alles wat ze hebben meegemaakt met hun verslaafde vader of moeder, hen toch nabij blijven.
Voor het kringgesprek heb ik dertig foto’s op tafel gelegd. Iemand kiest een afbeelding van twee mensen die samenlopen, kijkend naar de maan. Op de foto staat de tekst “We are all just walking each other home” (Ram Dass). Zijn buurman vertaalt het als “We lopen samen, maar je doet je eigen voordeur open.” Een ander grapt: “Als je de goede sleutel hebt.” Degene die de kaart heeft gekozen, ziet in de afbeelding het kringgesprek, “we zijn als een familie en eens gaan we allemaal naar ons eigen huis”. Een andere deelnemer kiest een afbeelding waar hij zijn dochter in ziet. “Het kringgesprek is grappig, leuk, je hoort van elkaar, maar het doet me niks,” zegt hij, “want ik mis mijn dochter.”
Weer een ander pakt een afbeelding van twee handen. Hij ziet daarin een zwakke en een gemoedelijke hand. “Ze zijn allebei van mij, de zwakke hand heeft een troostende nodig, maar die kan ik niet voor mezelf zijn”.
Zo gaat het kringgesprek voort. Luisteren, delen, troosten, je uitspreken en kracht vinden in verbinding; verbinding met een afbeelding en verbinding met elkaar.
Behoeftes zoals ieder mens die heeft. Laten we een samenleving zijn, waarin ieder mens een luisterend oor, troost en kracht vindt, om te kunnen dragen waar het leven je voor stelt.
Er was eens een gezin, een vader, een moeder en twee zonen.
In de loop van de jaren werden in dit gezin grote verliezen geleden. Eerst trof het lot een van de twee zonen: Hij overleed na een ziekbed aan de gevolgen van kanker. Jaren later trof beide ouders hetzelfde lot. Ook zij werden ongeneeslijk ziek. Beiden. Gelijktijdig.
In die fase van hun leven leerde ik hen kennen. En enige tijd later, op een mooie, zomerse dag, stond ik wederom, en nu met de enig overgebleven zoon en zijn familie, rond het open graf waar het lichaam van vader bijgevoegd zou worden, verenigd met moeder en jongste zoon. De enig overgebleven zoon en broer hervatte zijn leven. Met dierbare herinneringen aan zijn vader, moeder en broer, in zijn hart.
Met enige schroom en een prangende vraag belde ik aan wanneer ik op weg was naar dit gezin. Waar kun je van betekenis zijn, wanneer het lot een familie zo diep treft? In zijn boek: ‘Vertroostingen’ deelt psychiater-psychotherapeut Dirk de Wachter het persoonlijk verhaal van zijn confrontatie met een levensbedreigende ziekte. Naar aanleiding daarvan denkt hij na over de vragen die hem in deze periode van zijn leven bezighouden: ‘Wat doen we als het noodlot ons treft? Waar vinden we troost? Wat is helpend’?
Op de kaft van het boek staat de tekst: Vertroostingen, gewone woorden van Dirk de Wachter. Die eenvoud spreekt me aan. Hij schrijft over de behoefte aan troost, van rituelen en samenzijn, van kunst en poëzie.
‘Troost’, zo schrijft hij, ‘dat is iemand weer in zijn kracht helpen. Troost impliceert de verdrietigheden met stekels te behouden. Wikkel het in, omzwachtel het met woorden, schoonheid en nabijheid.‘ Hij deelt met ons in zijn gewone woorden hoe het menselijk bestaan onvoorspelbaar meandert door de oneindigheid van de kosmos. En dat het de kunst is om, wanneer plotselinge bochten opdoemen, aan de goede kant van de baan te blijven: ‘Daar waar het licht schijnt, waar de bermen stevig zijn en de warmte van de zon ons aangenaam kan koesteren.´ En met wat geluk’, zo zegt hij, ‘zijn er mensen die ons bijstaan om betere doorgangen te vinden in lastige passages en bij de onvermijdelijke struikelingen’.
Met enige schroom belde ik bij dit gezin aan, telkens weer. En als een dankbaar mens reed ik daarna dan weer naar huis. Omdat ik weer even mocht ´zijn´ in dit gezin, waar ´leven´ doorging. Die nieuwe gordijnen bijvoorbeeld, werden toch nog besteld, versneld geleverd en bewonderd.
Er werd gehuild, en gelachen om de zotte invallen van vader. Gesproken, stil genoten, of in de beklemming van pijn en leed, uitgehouden.. Zo nabij in dit gezin. Ooit een vader, een moeder en twee zonen.
Soms kun je een ontmoeting hebben die helend is. Een ontmoeting van zien en gezien worden. Vaak gebeurt het juist in het onverwachte, in het niet-moeten. Zo’n ontmoeting kan in de natuur, in de schepping zijn. Een indrukwekkende omgeving of een dier die je op de een of andere manier raakt, waarmee je je mee verbonden weet. Hoe kort misschien ook. Het kan muziek zijn, een tekst. Het kan ook een ontmoeting zijn van mens tot mens waarin iets van liefde, vrede of troost oplicht.
Vanuit de theologie klinkt er ontmoeting in de godsnaam: ‘Ik ben die er zijn zal’. De God van de Bijbel die zich laat kennen in barmhartigheid en rechtvaardigheid. Een God die ‘met toegenegen oren’ naar ons luistert. Zo staat er geschreven. Die nabij is in diepte van ellende en in het hoge lied. Het is ook een God die werkt in en door mensen. De relatie met de ander, kan de weg naar de Ene zijn. Door vriendelijk en rechtvaardig te zijn. Wat je voor de ander doet, door ‘de naakte te kleden, de hongerige te eten geven, de gevangenen te bezoeken, de zieken te verzorgen; dat doe je voor Mij’, zo zegt Jezus. Iets daarvan wordt ook zichtbaar in de uitdrukking: ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Of in de Bijbeltekst: ‘Waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in het midden’. Ook het denken van de Joodse filosoof Immanuel Levinas sluit hierbij aan: ‘Ieder mens verlangt naar het goede, en door onze verantwoordelijkheid te nemen voor de ander, in te staan voor de ander, ontmoeten we die (A)ander bij uitstek: de Eeuwige’. Kunnen we in navolging van die Naam, er zijn voor de ander? Die anderen écht zien, die op ons pad komen?
Op LinkedIn kwam ik een berichtje tegen over een bibliotheek. Dit was geen bieb met boeken maar een bibliotheek waar je mensen kunt ‘lenen’. Mensen van verschillende leeftijden, culturen, afkomst. Dit idee van een bibliotheek met levende boeken, komt uit Scandinavië. En sinds 2005 worden er ook in Nederland ‘uitleningen’ georganiseerd op wisselende locaties. Zoals op festivals, markten, congressen en in parken. Daar kun je voor een half uur iemand lenen. In gesprek gaan met die ander. Luisteren naar zijn of haar verhaal.
En daarbij, bedacht ik me, ontmoeten we elkaar pas echt als we erkennen dat we allemaal anders zijn. Die ander denkt anders dan ik, kijkt anders naar de wereld, heeft een ander levensverhaal. Het maakt immers uit waar je wieg staat, waar, hoe en met wie je opgroeit, welke handicap of welke kleur je huid heeft of welk talent je meegekregen hebt. Het is de kunst oog te hebben voor het anders-zijn van de ander.
En dat brengt ook iets!
Die ander, het andere, roept ons op, maakt ons wakker. Zijn of haar anders-zijn, brengt ons een nieuwe werkelijkheid, een andere kijk op de dingen. Wanneer we die ander of het andere echt ontmoeten, gaat er een wereld voor ons open. Levinas zegt het zo: ‘Die ander die oneindig anders is, geeft ons de kans om een oneindige nieuwe wereld binnen te gaan. En als wij ons door die ander aan laten spreken, dan licht daar iets van de Onuitsprekelijke op.’ Iets van die Gans-Andere.
En er is hoop! Zelfs temidden van ellende, van polarisatie, van oorlog, zijn er ontmoetingen. Zijn er mensen die oog hebben voor een ander, die met toegenegen oren luisteren. Laten we met die hoop dit nieuwe jaar ingaan, en die ander moedig en vasthoudend zoeken. En niet in de war raken als hij ons als een vreemde voorkomt. We zullen hem herkennen aan zijn wonden, aan zijn stem, wanneer hij tot ons spreekt. Aan de geest, die angst verjaagt en vrede brengt.
Een persoonlijke bijdrage van Marjanne van de Mheen
Afscheid nemen
Het mooie van mijn werk als geestelijk verzorger, zijn de ontmoetingen met mensen. Graag wil ik een gesprek eruit lichten…
Vaak spreek ik mensen in het hospice, terwijl zij in bed liggen. Ontdaan van het groot houden, het zich beter voor willen doen, de bekende muurtjes waar een mens zich achter kan verschuilen. En dat is niet per se negatief, maar het is bijzonder om een mens te ontmoeten op een kwetsbaar moment in zijn of haar leven wanneer die muurtjes er even niet zijn. Want mensen zijn kwetsbaar, dat is een gegeven. Er is niet veel voor nodig om een buts of blauwtje te lopen. Tegelijkertijd is een mens ook verrassend krachtig. Misschien wel juist in een bepaalde overgave aan het leven? Aan de dood?
Enkele weken geleden ontmoette ik een man in het hospice. Hij vertelde me over zijn leven. Het was een vol en rijk leven, wat in het teken had gestaan van zijn werk als directeur voor een grote organisatie. Met plezier en verantwoordelijkheid had hij die taak vervuld. Door zijn werk had hij veel van de wereld gezien en zijn steentje eraan bijgedragen. Ruim een jaar geleden was hij met pensioen gegaan. Het was de tijd geweest, om samen met zijn vrouw, bewust te kijken welke volgende stap ze in het leven wilde zetten. Het werd een ander huis, meer in de natuur waar ze vrienden en familie konden ontvangen. Maar niet veel later werd hij ziek.
Juist toen ik hem vroeg wie voor hem belangrijke anderen waren, stapte zijn vrouw de kamer binnen. De moeite op zijn gezicht verzachtte wat. En ondanks zijn kortademigheid kwam er geleidelijk meer ruimte voor zijn humor. Wat kan een ander van betekenis zijn! De een probeerde de ander op te beuren. Beiden probeerden de ander te ontzien. Niet te laten merken wat hun pijn en moeite was. Maar ‘in houden van’ is en blijft afscheid nemen pijnlijk en moeilijk. Daar ontkomen we niet aan. Toch is er juist in het vertellen, het aangaan van de pijn, in het opnemen van je kruis, verrassend genoeg, vaak ook vreugde en ontroering te vinden. En zo ook nu; de lach kwam, de dankbaarheid voor het leven dat ze geleefd hadden. De troost door de mooie dingen die ze samen hadden mogen beleven. De goede herinneringen, die zullen blijven.
Zijn vrouw liet ons nog even alleen. Ze wilde haar man ruimte geven, voor als er nog dingen waren, die hij zonder haar aanwezigheid wilde bespreken. Hij vond het goed. Hij wilde vooral doen, wat zij graag wilde, wat zij nodig had.
Nu dan, afscheid nemen, dat kon hij niet, zei hij. Dat vond hij het moeilijkst. Ik vroeg hoe hij dat dan gedaan had toen hij met pensioen ging. Hij was gewoon weggegaan, zonder afscheid te nemen. Mensen voelen zich vaak tot last, als ze ziek zijn, sterven gaan, maar ‘je kunt ze nog iets belangrijks geven,’ zei ik. ‘Neem goed afscheid. Voor jezelf en voor je vrouw, je dierbaren. Geef ze de ruimte om afscheid van je te nemen. Dat zal hen helpen. Het zal straks in het missen hen meer rust en vrede geven.’ Hoe benauwd hij ook was, hij luisterde aandachtig.
‘Je hoeft alleen maar jezelf te zijn en te ontvangen. En echt ontvangen is niet zomaar iets. Echt ontvangen is een groot geven.’ Het is troostend als je de kussen, de woorden die ze je geven, kunt ontvangen. ‘En in dit uurtje dat ik je een klein beetje heb leren kennen, denk ik dat je dat zeker kunt.’
Ik merk dat alles wat gezegd moest worden, gezegd is en ik geef hem een hand ter afscheid. Hij neemt mijn hand aan en bedankt me. ‘En valt mee,’ zegt hij. ‘Wat valt mee?’ Vraag ik. ‘Afscheid nemen,’ zegt hij met een spoor van humor in zijn ogen.
Twee dagen later, is hij, na afscheid te hebben genomen van zijn naasten, vredig ingeslapen. Rouw is er, maar ook dankbaarheid dat het zo mocht gaan. Vaak hebben we het over levenskunst, maar als de tijd ons gegeven is, is op een goede manier sterven ook een kunst.
Via het Centrum voor Levensvragen ben ik als geestelijk verzorger regelmatig in het hospice Almere. Daarnaast werk ik in een woon-zorgcentrum, ook als geestelijk verzorger. Op beide plekken is de dood nooit ver weg. Ik vind het eervol om in de laatste fase in iemands leven dichtbij te mogen komen. Wat belangrijk is, drijft naar de oppervlakte en wordt vaak bespreekbaar.
Het is heel bijzonder om deelgenoot te mogen zijn van iemands gedachtewereld in de laatste periode. De angsten, de dromen, de zorgen, de gelatenheid. De kracht en waardigheid die tot het einde overeind blijft staan. Regelmatig komt het gesprek op het levenseinde, en wat dat voor iemand betekent. Het is iets waar veel mensen over na gaan denken als de dood dichterbij komt. Is de dood een punt, een komma, of iets daar tussen in? Af en toe klampt iemand me aan met wanhoop in de ogen, met de hoop dat ik als geestelijk verzorger een antwoord heb. Ik moet dan teleurstellen, ik ben er niet één van het soort dat met antwoorden rondloopt. Ik heb wat vage vermoedens en wat hoop, maar een stellig weten ontbreekt mij. Wel verzamel ik in mijn hart de antwoorden van de mensen die ik spreek.
Ik vind ze stuk voor stuk prachtig, in hun eigen kracht en kwetsbaarheid, en wil er hier graag een aantal delen.
“Ik ben als een golf in de zee. Het water heeft een tijdje deze vorm aangenomen en straks is dat voorbij. Het leven vindt dan weer een nieuwe vorm. Ik vind het wel moeilijk voor mijn familie, die gehecht zijn geraakt aan deze vorm. Zij zullen me toch missen.”
“Ik ben toch zo bang dat er reïncarnatie is… Ik had een moeilijk leven en ben blij dat het straks voorbij is. Het lijkt me vreselijk om weer van vooraf aan te moeten beginnen.”
“In mijn leven ben ik langs allerlei religies gegaan en blijven hangen bij het boeddhisme. In dat geloof gaat mijn ziel na de dood nog verder op reis. Nu het dichtbij komt vraag ik me af: geloof ik dat nou echt? Of ben ik daar toch te nuchter voor?”
“Ik hoop zo dat er één moment komt van totale verlichting: dat ik alles ken, alles begrijp en doorgrondt. En daarna het grote niets.”
“Ik geloof dat je in het leven een opdracht hebt, waarvan je moet leren. Kennelijk is mijn taak volbracht en heb ik genoeg geleerd. Wat ik heb geleerd heeft gaat mee in een volgend leven, waar ik weer verder zal groeien.”
“Volgende week ben ik er waarschijnlijk niet meer. Ik zal nog een tijdje herinnerd worden. Daarna is wat ik ben helemaal verdwenen.”
“Ik vind het ongelofelijk jammer dat mijn leven stopt. Maar ik vind het niet erg om dood te gaan. Doodgaan is niets. Letterlijk niets. Hoe zou ik daar bang voor kunnen zijn?”
Wat mij raakt in al deze gesprekken is dat mensen zichzelf zo recht in de spiegel aan durven kijken. Met alle hoop en wanhoop die erbij komt kijken. Een zoeken naar een manier om vrede te sluiten met het onvermijdelijke, ook als dat zo rauw en oneerlijk is. Er rest mij weinig anders dan luisteren, en als het gepast is met iemand mee op zoek te gaan. En ik besef me iedere keer weer, dat ik in mijn werk zoveel meer ontvang dan ik te geven heb.